Gevoel, werk en je lijf

Oefening

Er is een zeer grote relatie tussen ons voelen en onze fysieke gesteldheid. Al eeuwenlang gebruiken we in onze taal allerlei spreekwoorden en gezegdes die dit aangeven. Wie kent de uitspraak “knikkende knieën” niet? (deze fysieke gesteldheid geeft angst aan), de uitspraak “vlinders in je buik” (deze fysieke gesteldheid voel je als je verliefd bent), “mijn handen jeuken” (dat aangeeft dat je wil gaan werken), “ik heb er een zwaar hoofd in” (waarmee je aangeeft niet zoveel vertrouwen in het resultaat te hebben), etc.

Ook je werk veroorzaakt lichamelijke reacties. Heb je bijvoorbeeld een spannende dag gehad (je moest bijvoorbeeld een grote presentatie geven of een project opleveren) dan zul je je aan het eind van die dag vermoeid voelen, ondanks dat je waarschijnlijk weinig fysieke inspanning hebt gedaan. Is deze dag echter erg goed verlopen, en was iedereen erg enthousiast, dan is de kans groot dat je aan het eind van de dag vol energie zit. De weerslag die je werk op je lijf kan hebben, kan zelfs zo ver gaan dat je lichamelijk niet meer in staat bent om te werken. Het begint bijvoorbeeld bij niet lekker in je vel zitten; je staat op en bent al vermoeid; je hebt slaapproblemen; je krijgt een lichte afkeer van werk; je hebt geen zin meer in seks en trekt je terug uit sociale contacten. Dit soort vage klachten bouwt zich langzaam op en ontregelen je hormoonhuishouding, waardoor je immuunsysteem verzwakt wordt en je vatbaar wordt voor allerlei ziektes. Dit is het typische beeld van een burnout. Dat gevoel in relatie tot je lijf een groot effect op ons werkzame leven heeft mag dan ook blijken uit het feit dat inmiddels 10% van de totale beroepsbevolking in Nederland in meer of mindere mate aan een burnout lijdt (bron: CBS).

Belangrijk om te beseffen is dat de reactie die je werk op je fysieke gesteldheid heeft, meestal wordt veroorzaakt door een discrepantie tussen je gevoel en de normen en waarden die jij voelt vanuit je werkomgeving. Legt je baas je druk op om te presteren en zegt je gevoel je dat je dit niet kan halen dan zul je je al gauw moe gaan voelen. Let echter wel op dat de druk die jij ervaart alleen jouw ervaring is. Ben je in staat om aan je baas uit te leggen dat jij niet het gevoel hebt de door hem verwachtte prestaties waar te kunnen maken en daardoor vermoeidheidsverschijnselen krijgt, dan is er een opening om wederzijdse verwachtingen op elkaar te kunnen gaan afstemmen, wat de té grote druk op je zal doen afnemen.

Je lijf kan dus een indicator zijn voor een discrepantie tussen je gevoelens en je interpretatie van de door je omgeving opgelegde normen en waarden.

De grote kunst is om je bewust te zijn van de relatie tussen je gevoel en je lijf. Ben je je bewust van deze relatie dan ben je in staat om te herkennen. Herkennen dat je hoofdpijn hebt, en dan te weten dat een aspirientje je hoofdpijn wel wegneemt, maar niet de oorzaak van je hoofdpijn.

Luister naar wat je gevoel je te vertellen heeft. Uiteindelijk zou het mooi zijn als je voelsprieten ontwikkelt die bij het voelen van een lichamelijke gesteldheid op zoek gaan naar wat voor gevoel er op dat moment is, zodat je in staat bent om met dat gevoel om te gaan in plaats van met je fysieke gesteldheid, wanneer dit gevoel de veroorzaker van je fysieke gesteldheid is.

Een voorbeeld:

Over 3 dagen heb je een functioneringsgesprek. Je weet dat de afgelopen periode niet je allerbeste is en dat dit ter sprake zal komen tijdens je functioneringsgesprek. Dit drukt als een zware last op je schouders. Vandaag ben je niet meer zo snel en minder in staat om goede resultaten neer te zetten. Ben je nu in staat om naar je lijf te gaan luisteren dan kun je de op dat moment aanwezige gevoelens gaan ontdekken: “Vandaag voel ik mij me en een beetje lusteloos waardoor ik niet zulke goede resultaten neer zet. “Ik zet niet zulke goede resultaten neer omdat mijn functioneringsgesprek mij bezighoudt.” “Mijn functioneringsgesprek houdt mij bezig omdat ik verwacht dat het niet zo positief zal zijn” “Het functioneringsgesprek zal niet zo positief zijn omdat ik niet aan de verwachtingen van mijn omgeving voldaan heb” “Omdat ik niet aan de verwachtingen van mijn omgeving voldaan heb denk ik dat mijn omgeving afkeurend zal zijn” “Ik voel angst om door mijn omgeving afgekeurd te worden.”

Op dat moment wordt duidelijk dat je gevoel van lusteloosheid wordt ingegeven door angst; niet de angst voor het functioneringsgesprek (dat heb je immers als vaker gedaan) maar de angst om door je omgeving afgekeurd te worden.

(In de oefening “In contact met je gevoel” wordt een manier gegeven om vervolgens met het ontdekte gevoel (in bovenstaand voorbeeld ‘angst’) om te gaan.)

Om je bewust te worden van de relatie tussen voelen en je fysieke gesteldheid zul je moeten gaan trainen. Trainen doe je door heel bewust steeds (ook als het niet nodig is) te gaan oefenen. Hoe vaker je dit gedaan hebt hoe meer het ‘eigen’ zal worden aan je natuur. Uiteindelijk zal het dan zo eigen worden dat op het moment dat je het nodig hebt, je vanuit je onderbewuste al de goede dingen doet en niet meer hoeft na te denken over “wat moet ik nou doen?”.

Hieronder is een voorbeeld ‘trainingsschema’ opgenomen, dat je zou kunnen gebruiken om je bewust te worden van de relatie tussen je fysieke gesteldheid en je gevoel.

  • Neem jezelf voor dat je 2 weken lang, iedere dag op 3 vaste tijdstippen (bijvoorbeeld 08.30 uur, 12.30 uur en 16.00 uur) een paar minuten naar je lijf gaat luisteren. Dat betekent dus niet dat je onmiddellijk gaat onderzoeken wat voor gevoelens daar bij horen, etc. maar alleen maar dat je gaat kijken hoe je fysieke gesteldheid in elkaar steekt. De belangrijkste vraag die je je kan stellen is “Waar voel ik iets in mijn lijf?” (is dat bijvoorbeeld in je voeten, je benen, je buik, je borst, je rug, je schouders, je nek, je hoofd, etc.) Probeer het gevoel dat je in je lijf ontdekt zo exact mogelijk te omschrijven. De vraag “En hoe voelt dat dan?” kan je bij deze exacte omschrijving helpen. Na 2 weken zul je zien dat je redelijk in staat bent om je fysieke gesteldheid snel te voelen en te omschrijven.
  • Ben je in staat om je fysieke gesteldheid te kunnen benoemen, dan kun je op dat moment op zoek gaan naar de emotie (het gevoel) dat er op dat moment bij je is. Voorbeelden van gevoelens zijn: blijheid, boosheid, angst, verdriet, etc. Let vooral op dat het gaat om de echte emotie. Ben je bijvoorbeeld woedend, dan kan het zijn dat dit voorkomt uit gekwetstheid (verdriet) of onveiligheid (angst). Het hoeft dus zeker niet zo te zijn dat woede altijd een voortvloeisel uit boosheid is. Wat hierbij belangrijk is, is dat je iedere vaagheid uitsluit: “ik denk …”, “ik veronderstel …”, “misschien” en iedere andere vorm van vaagheid en slagen om de arm, bestaan niet. Als jij je zo voelt, dan voel jij je zo en er is niemand die je gevoel beter kan inschatten dan jijzelf. Ook het benoemen van de emotie die op een bepaald moment bij een fysieke gesteldheid is doe je in een vast schema van 3 keer per dag, 2 weken lang.
  • Heb je de bovenstaande oefeningen gedaan dan kun je op zoek gaan naar specifieke (voor jou belangrijke) situaties waarin je deze oefeningen doet. Het herkennen van een specifiek gevoel in je lijf en de emotie die er op dat moment is worden dan ook moeilijker, want veelal zul je op dit soort belangrijke momenten terugvallen in de voor jou bekende afweermechanismen. Bij belangrijke momenten kun je denken aan hele spannende momenten, maar ook aan hele leuke momenten. Misschien als je op staat, misschien ook vlak voor een belangrijke vergadering.

Hoe langer je oefent, hoe beter je in staat zult zijn om de gevoelens die bij een specifieke fysieke gesteldheid van je horen in kaart te brengen, waardoor je niet alleen op je lichaam hoeft te reageren (of te onderdrukken) maar ook met de bijbehorende emotie kan omgaan, en daar waar de emotie de veroorzaker is, met deze oorzaak aan het werk kan.